De ideale student? Kunnen wij die kennen? Ik kende haar al rond 1980,
althans dat dacht ik. Ze had lang blond haar, geen hond – liefhebbers
van het oeuvre van Hans Dorrestijn zullen dit aspect appreciëren – en we
deelden in elk geval één interesse, want ze koos dezelfde studie als
ik: de prachtige studie psychologie! Toch bleek ze minder ideaal dan ik
dacht; een verkeerde smaak qua vriendjes ....
Tja, zoiets vergt natuurlijk tijd, studietijd wel te verstaan.
Dan de studentenpolitiek, de schaakclub, studentassistentschappen,
een tijdelijk maar wel hardnekkig fysiek ongemak, en niet te vergeten de
zogenaamde predoctorale depressie – een bekend fenomeen destijds- ,
want de arbeidsmarkt voor psychologen was suboptimaal. Dit alles vergt
natuurlijk tijd, studietijd wel te verstaan.
Ondertussen haalde ik zo goed als al mijn tentamens – weinig
recidive, om het maar zo te zeggen – maar niet al te snel. Kon dat
allemaal maar? Ja, want we hadden ministers Pais en Deetman. Zij wilden
de onderwijsstructuur veranderen – de twee fasen structuur, weet u nog? –
en Deetman, de uitvoerder van de wet, was niet kinderachtig in zijn
overgangsregeling; alle zittende studenten mochten nog 6 jaar studeren
op dezelfde voorwaarden. U kunt wel raden dat dit niet bevorderlijk was
voor het rendement. Niettemin is het gros van mijn studiegenoten
waarschijnlijk wel goed terecht gekomen, en ik ben zelf ook niet
ontevreden. In die tijd ontstond echter ook de kiem van de wet van
Beijer. Kent u die?
2*FtF; de wisselwerking tussen Fun things First en
First things First – Fun things gaan voor totdat de First things
dichterbij komen, met een zeker omslagpunt. Mijn basishypothese voor een
algemene theorie over menselijke tijdsbesteding. Verder uit te werken
in ons onderwijs. Ook in ons onderwijs moeten/ kunnen we de fun- en
first things inbouwen.
Het hiervoor gezegde is een mengeling van feiten en fictie, maar ik
hoop dat u de strekking ervan oppakt. De tijdgeest is veranderd,
studenten moeten studeren en terecht. We hebben nog steeds ministers,
staatssecretarissen, en onderwijsbestuurders die de zaken willen
veranderen. Soms met goede reden, ik wil niet per definitie negatief
zijn, maar soms worden kwaliteit en rendement in de discussie op een
onjuiste manier door elkaar gebruikt.
Mogen en kunnen studenten er ook nog dingen naast doen? Willen ze wel
lenen om snel te studeren of gaan ze werken om iets langzamer te
studeren? Hebben we binnenkort alleen nog maar werkstudenten, die zich
te buiten gaan aan Massive Open Online Courses die mogelijk in de nabije
toekomst ook tot diploma's zullen kunnen leiden.
Terug naar de ideale student. De beleidsmakers zitten momenteel niet
erg ruim in hun overgangsregelingen, maar wel in hun maatregelen. Is de
ideale student degene die zich conformeert aan onze eisen? Of de non-
conformist, die misschien na de studie het meest gewild is? Vooralsnog
is de ideale student degene die ons de prestatienormen doet halen, en
ergens klinkt me dat onbevredigend in de oren.
N.B. Gesproken column, uitgesproken bij de workshop 'De ideale
student' over decentrale selectie bij het 3e Landelijk Juridisch
Jaarcongres in Leiden op 18 januari 2013