donderdag, maart 26, 2015

Vragen staat vrij!

Een hoogleraar vertelde me een paar jaar geleden dat haar zoontje niet naar school wilde en dat ze op de vraag waarom hij dan wel naar school moest eenvoudig maar duidelijk probeerde uit te leggen dat we een onderwijssysteem hebben dat door politici zo vastgesteld is. Dat argument kwam niet aan. Waarom is dat dan zo? Waarom kan dat dan niet anders? Slim ventje!
Discussie was hier natuurlijk kansloos. Alleen het argument dat het moest omdat alle kinderen dat moeten hielp. Hopelijk leert hij dat vragen stellen later op school niet af (maar dat is een andere column).

Veel verder terug in de tijd, toen ik net bij de universiteit werkte, vertelde een andere hoogleraar me dat je idealiter als student op de universiteit leert om vragen te stellen en daarna in de praktijk leert om vragen te beantwoorden. Een interessant dilemma! Ondanks dat ik inmiddels werkte riep dit bij mij toch een vraag op. Als je er dan bent om vragen te beantwoorden – je bent OBP-er en beleidsmedewerker of je bent het niet-, mag ik dan daarnaast ook nog wel vragen blijven stellen? Ik geef u drie regels wit om hier over na te denken ……..






Bent u er uit? Het antwoord is: soms.

Je mag natuurlijk altijd vragen denken, maar stellen is niet altijd gepast. Als je bijvoorbeeld als beginnend beleidsmedewerkertje een vraag stelt of een suggestie doet aan een hooggeplaatst iemand, dan kan die vraag zomaar onbeantwoord blijven of erger. Als een hooggeleerd iemand dan enige tijd later (weken, maanden, jaren) dezelfde vraag stelt of suggestie doet dan is het mogelijk opeens een zeer belangwekkend punt waar we toch vooral een commissie over moeten laten nadenken. Het kan verkeren. Natuurlijk denk je dan ‘ik zei het toch’ en wordt je olifantenhuid een stukje dikker (goede eigenschap voor een beleidsmedewerker overigens).

Maar goed: to the point (om het internationale karakter van deze column te benadrukken).
Er gebeurt veel op een universiteit in de loop der jaren. Ook de afgelopen jaren. We hebben inmiddels de bachelor ingevoerd (master hadden we al, die heette doctoraal), we hebben sinds kort minoren en net als de halve wereld regelen we dat alles weer in semesters. Maar waarom in vredesnaam? Hebben we vroeger het kandidaatsdiploma niet afgeschaft, en het verplichte grote bijvak? Gingen in 1991 de semesters niet over boord omdat trimesters beter zouden werken (wat niet aantoonbaar het geval bleek, maar ook dat is een andere column)? En ik las in de UK dat zelfs in de middeleeuwen de grootste talenten al door Europa zwierven op zoek naar de beste universiteiten, die toen vast niet allemaal op elkaar leken. En alles heet nu wel bachelor-master structuur, maar de verschillen zijn nog steeds groot, en wedden dat ze dat zullen blijven? Voorheen heette het anders en dan verwachtte je ook wat anders. In Frankrijk verwacht je iets anders van een restaurant dan van een eetcafé in Groningen. Een van de charmes van vakantie, al die vreemde eetgelegenheden. Maar ik geef toe, je kunt ook overal ter wereld naar McDonald’s. Gelukkig hoeft dat niet.

Zojuist hoor ik op TV dat Nederland volgens Maurits Hendriks structureel tot de beste 10 sportlanden van de wereld wil horen. Prachtig! Er werd veel gezegd, maar niemand stelde de vraag waarom. Ambitie is mooi –ben ik voor-, maar dan moet het wel ergens op gebaseerd zijn. En als dat niet duidelijk gemaakt wordt dan is ambitie een fraaie etalage voor een lege winkel. Ik ben voor een volle winkel en dan mag er best een mooie etalage boven het maaiveld uitsteken.

Ik prijs me gelukkig om in een omgeving te werken waar vragen stellen doorgaans op prijs wordt gesteld, hoe zouden we het anders aan studenten kunnen leren? Maar bij sommige ontwikkelingen zou ik toch nog wel een waarommetje extra willen stellen en vraag ik me oprecht af wat nu eigenlijk het probleem is? En die vraag blijf ik stellen, want als die vraag onbeantwoord blijft of niet beantwoord kan worden heb ik vraagtekens bij de betreffende ontwikkeling.

Over rendementen

Het zal u niet verbazen: studenten, docenten en andere medewerkers zijn net gewone mensen. Dat betekent dat ze zich ook als gewone mensen zullen gedragen. Hier spreekt de psycholoog in mij. Er zijn volgens mij twee principes van belang:
  • Fun things first – Als er geen druk op de ketel staat neigen mensen ertoe om zich eerst bezig te houden met de leukste dingen die zich voordoen;
  • First things first – Naarmate er meer druk op de ketel komt en naar mate de deadline dichterbij komt zal datgene dat het eerst komt de primaire aandacht krijgen.
Anders gezegd:

  • HE ≈ 2*FtF, de homo economicus gedraagt zich in sterke mate volgens de regel ‘fun and/or first things first’
Nu hebben rendementsverhogende maatregelen zelden meer dan een tijdelijk effect. De betrokkenen (studenten en docenten) passen zich aan en na verloop van tijd zijn we weer op het oude uitgangspunt.
We moeten dus verder kijken en komen dan terecht bij het verborgen curriculum. Maatregelen betreffen altijd het officiële vastgestelde curriculum, maar vergeten ook in te grijpen in het verborgen curriculum, de ongeschreven normen en waarden die in een onderwijssituatie een rol spelen (‘zo gaan we niet met elkaar om’, ‘ik wil geen politieagent spelen’, ‘ik kan best onvoorbereid naar een werkgroep toe’, etc.).
Het is mijn stelling dat maatregelen die niet ook ingrijpen in het verborgen curriculum zinloos zijn. Kortom, er moet geen ontsnappen aan zijn, of in science fiction termen: resistance is futile.
Anders gezegd:

  • If A ≠ HC, then A=F, als actie niet ingrijpt in het ‘Hidden Curriculum’, dan is actie ‘futile’ / zinloos.
Wat betekent dit nu voor de te nemen maatregelen?
  • Grijp studenten bij de keel met het vakgebied. Het is leuk, spannend, maatschappelijk relevant (zie de dagelijkse krant), etc.. En laat dat van af het begin van de studie ook zien.
  • Creëer voldoende deadlines in de studie en spreid die met regelmaat en zonder mogelijkheid te ontsnappen over het studiejaar. Leg de lat niet te laag.
  • Verminder zo mogelijk te veel concurrentie tussen studieonderdelen, door niet te veel naast elkaar te programmeren, opdat opdrachten bij het ene vak niet concurreren met bijvoorbeeld een opdrachtloos nevenvak.
  • Bevorder het flexibel aanbieden van het onderwijs (qua werkvormen en tijdstippen) maar laat dat niet uitmonden in vrijblijvendheden.
  • Er moet geen ontsnappen mogelijk zijn: studenten mogen niet ontsnappen aan de maatregelen en docenten mogen niet ontsnappen aan het handhaven ervan.